Saskia Huybrechtse volgt haar opleiding aan de Toneelschool in Amsterdam (1988). Daarna werkt ze met verschillende regisseurs en speelt ze bij verschillende gezelschappen waaronder het Zuidelijk Toneel, het Onafhankelijk Toneel, Toneelgroep Amsterdam en jeugdgezelschap Maccus.


Tekst Aukje de Boer Fotografie Ruud Gort

In 2001 richt Saskia de stichting Parels voor de Zwijnen op naar aanleiding van de voorstelling Soms staat hij te swingen in z'n hok. Deze voorstelling maakt Saskia op basis van gesprekken met gedetineerden en hun vrouwen. Ze krijgt toestemming in een gevangenis research te doen en zo kennis te maken met gedetineerden. In de gevangenis ontmoet ze Johnny, een zeer charismatische man. Saskia Huybrechtse: 'Dat hij een tijd moest zitten dat vond hij niet zo erg, maar hij maakte zich vooral druk om zijn vrouw die alleen achterbleef. Zou ze op hem wachten? Daarin zat het drama en dus de verhaallijn voor mijn voorstelling: Het onderzoek resulteert in een toneelsolo die Saskia zelf speelt in gevangenissen en Huizen van Bewaring. In 2002 volgt Lieve Joke - een voorstelling met en over vrouwen in de gevangenis - en in 2003 wordt Honolulu gerealiseerd onder de vlag van Parels voor de Zwijnen. Honolulu wordt gespeeld in kerken en vertelt het verhaal van een groep vluchtelingen en de mensen die hen opvangen. Parels voor de Zwijnen wil graag theater maken over een specifieke groep mensen, in en vanuit hun eigen omgeving, gespeeld op plekken die voor hen herkenbaar zijn. Huybrechtse: 'Mijn voorstellingen gaan altijd over mensen die alle zeilen bij moeten zetten om te overleven. Het zijn mensen die zoeken naar het licht, als een mol diep onder de grond. Wat ze in leven houdt is hun humor en hun liefde voor elkaar: Naast de keuze voor een specifieke doelgroep, maakt Parels voor de Zwijnen altijd voorstellingen waarin amateur- en professionele spelers samen spelen zodat 'de amateurspeler zich kan optrekken aan de acteur', aldus Saskia Huybrechtse.

Theater Het Zonnehuis in Amsterdam-Noord. Dinsdag 20 juni 2006. Nog ruim twee weken voor de première. In het midden van de spelvloer staat een boksring. Links van de ring een plateau waar tijdens de voorstelling gepaaldanst wordt. Saskia oefent met twee spelers de opkomst van Barbie en Ken in de voorstelling. 'I'm a barbiegirl in a barbieworld, kom je met me spelen,je hoeft me niet te delen...' De voorstelling Leve ik! gaat over jongeren van nu die opgroeien in de bling-blingcultuur van tegenwoordig. Kijken en bekeken worden. Uiterlijk en geld lijken synoniem te zijn voor liefde en aandacht. Alhoewel de opkomst nog niet eerder is geoefend, wordt er meteen flink op details gewerkt. Saskia vindt dat er duidelijker geplaybackt moet worden. Als Priscilla tijdens het oefenen haar lange, steile haar naar achteren zwaait, roept Saskia blij verrast: 'Dat wil ik zien, dat moet je blijven doen.' Dan blijkt na een halfuur verzinnen en oefenen dat de opkomst toch te lang duurt. 'Die draai is leuk bedacht, maar duurt te lang. Nog een keer, maar dan zonder die draai.' Er klinkt een zacht protest bij de spelers aan de kant. Een van hen bedient de muziek, twee jongens staan aan de zijkant te dansen en een derde zit op het plateau bij de paaldans. De rest zit, hangt of zit ergens op een plek in de zaal.
Spelmateriaal dat tijdens het oefenen spontaan ontstaat, wordt door Saskia enthousiast begroet. Er wordt alleen op de vloer gewerkt, een werkwijze die later door Saskia als 'intuïtief maken' zal worden omschreven. Dan komt het verlossende woord: pauze. De rokers vertrekken juichend naar buiten, toch blijven de meeste spelers in de zaal. De muziek gaat harder en er wordt gedanst, gehopst op een skippybal, gebokst en opnieuw wordt de paaldans niet met rust gelaten. Saskia overlegt ondertussen met de choreograaf.


Leve ik! speelt zich af op een kickboksgala. Muziek, mooie meiden en glamour zijn volgens Saskia Huybrechtse een metafoor voor de doorgedraaide wereld waarin jongeren van nu opgroeien. De voorstelling is geïnspireerd op Kasimir en Karoline - een volksdrama geschreven door Horvath in de jaren dertig in Duitsland over twee geliefden die elkaar in een kermisnacht voor altijd verliezen.
De voorstelling begint ingetogen en sereen. De spelers staan op een rij vooraan en trekken op klassieke muziek hun kleren voor de voorstelling aan. Er wordt niets gezegd. Niets gespeeld. En dan begint de waan van de dag die bestaat uit een kickbokswedstrijd. Een wervelwind van energie, persoonlijke statements over liefde, seks en de wereld overladen het publiek.
Ondertussen starten er verschillende verhaallijnen: het verhaal van de werkloze taxichauffeur en zijn vriendin, het verhaal van twee broers en hun vader en het verhaal van de alleenstaande moeder die via de telefoon haar kind naar bed praat. De kwetsbare jongeren die ze in het echt moeten zijn, schemeren lichtjes door de rol die ze spelen heen. Zou de jongen in de trouwjurk van zijn overleden moeder in het echt ook liever een jurk dragen? En dat meisje, zou ze werkelijk een alleenstaande moeder zijn die zelf uitgaat en haar kind alleen thuis laat?

Hoe kan een theatertekst geschreven in de jaren dertig in Duitsland iets zeggen over de situatie van Nederlandse jongeren anno 2006?

'De jaren dertig die Horvath beschrijft zijn te vergelijken met het neurotische en hysterische Nederland van nu. En dan bedoel ik de verrechtsing en het beschermen van de eigen waarden van het eigen volk. Alleen is er wel een verschil. In de jaren dertig was er de hoop dat dankzij het socialisme en de technologie het met de wereld goed zou komen. Daar droomden ze over. De technologie van nu is helemaal doorgeslagen naar consumentisme. Nu dromen we over roem en rijkdom. Over minder doen en lekker nog meer consumeren: "Ik wil alles maar ik heb er niets voor over". En het socialisme is doorgeslagen naar het hyperindividualisme. Vooral voor jezelf zorgen en niet voor een ander, daar komt het wel zo'n beetje op neer.'

Hoe is het repetitieproces verlopen ?

'Het is heel hectisch geweest. Er zijn een aantal fouten gemaakt. Op allerlei fronten. Als theatermaker werk ik intuïtief. Ik werk wel met een concept - in dit geval had ik de tekst van Horvath - maar ik werk graag vanuit het organische van de werkvloer. Met de spelers die het moeten doen, wat er tussen hen gebeurt, wat zij verzinnen. Want dat kunnen ze zoveel beter dan ik. Als ik iets bedenk achter mijn bureau, dan klopt het vaak niet. Mijn manier van werken kost tijd. Ik wil tijd en ruimte hebben om te onderzoeken, om dingen uit te proberen. Maar die werkwijze betekent ook onzekerheid voor de spelers. Ik wil niet meteen op het resultaat zitten, terwijl de meeste spelers toch vrij snel willen weten waar ze aan toe zijn. Ik wil altijd maar doorgaan met onderzoeken: o, dat is interessant, laten we dat ook eens uitproberen. Ik stel de definitieve vorm te lang uit. Nu was het zo dat tijdens de eerste try-out van Leve ik! we voor het eerst een doorloop deden met de nieuwe tekst. Dat kan natuurlijk niet. Iedereen was bloednerveus: wisten de spelers wat ze moesten doen? Maar die eerste try-out liep als een trein: de spelers kregen vleugels door het spelen voor eigen publiek. Vanaf dat moment had niet alleen ik, maar iedereen vertrouwen in de voorstelling. Een andere valkuil is dat ik te veel matetiaal verzamel. Te veel laagjes aanboor, waardoor de voorstelling vele lijntjes kent. Ik was erg blij met het advies van Fenneke Wekker, de dramaturge, om de voorstelling drastisch in te korten. Ik had voor drie uur materiaal en dat is in de laatste week ingekort tot een voorstelling van vijf kwartier. Vanaf toen kwam ik eigenlijk pas aan het regisseren toe. Bij een volgende voorstelling wil ik dit beter gaan plannen.'

Hoe reageerden de spelers vlak voor de première op de mededeling dat bijna twee derde van hun materiaal naar de prullenmand verdween ?

'Geen enkele speler vindt het leuk als zijn tekst wordt geschrapt. Maar als je goed kan uitleggen waarom je tot dat besluit bent gekomen, dan wordt er een halve dag gemokt en dan is het klaar. Dat zijn jongeren. Die kunnen daar toch heel flexibel mee omgaan. Maar ik had die beslissing natuurlijk veel eerder moeten nemen.' 

Waarom werk je intuïtief?

'Mijn manier van theater maken ontwikkel ik nog, diep ik verder uit als ik aan het werk ben. Ik ben eigenlijk actrice. Na mijn afstuderen heb ik vooral veel gespeeld. Maar ik vond het vaak saai. Veel lag van tevoren vast: welke kleding ik aan moest, in welk decor ik moest spelen. Hoe kun je dan nog iets met elkaar maken? Daar werd ik heel ongelukkig van. Ik begin graag met rood en eindig met zwart. Die flexibiliteit moet er zijn. Dat kan ik alleen op de werkvloer, niet vanachter mijn bureau. Als ik van tevoren te veel bedenk dan wordt het al gauw kunstmatig, terwijl ik juist streef naar een zo authentiek mogelijke situatie op de vloer.'

Frank Meijers - de enige proflssionele acteur in Leve ik! - noemt jouw wijze van theater maken 'een boeddhistische manier van maken'. Wat bedoelt hij daarmee?

'Door een whiplash heb ik anderhalf jaar niet kunnen werken. Doordat ik gedwongen werd rust te nemen, heb ik heel goed na kunnen denken over wat ik nu echt wilde met het theatervak. Toen kreeg ik het idee dat ik 'iets' wilde maken met gedetineerden in een gevangenis. Al snel bleek dat mijn idee niet realistisch was. Maar ik mocht wel vrij rondlopen in zo'n gevangenis om inspiratie op te doen. En zo ontmoette ik Johnny. Doordat ik hem ontmoette, ontstond het idee een voorstelling te maken rondom gedetineerden en hun vrouwen. Dat had ik natuurlijk zelf nooit kunnen bedenken. Ik wil daarmee zeggen dat als je blijft vasthouden aan je idee, het vaak niet lukt. Maar als je erop vertrouwt dat er dan iets anders komt - wat misschien wel een veel betere oplossing is - dan komt het altijd goed. Overgave aan het moment, kijken naar wat er is en niet naar wat er zou moeten zijn, dat maakt dat ik in het hier en nu kan regisseren. Ik denk dat hij dat ermee bedoelt.'

Na de pauze. Nog niet iedereen is er, toch beginnen ze. Regieassistente Nienke heeft de definitieve scripts bij zich. Iedereen krijgt een exemplaar. Saskia: 'Eén ding over het script. Morgen komt hier een grote bak met pennen zodat we kunnen gaan schrappen. Ik wil vanaf nu geconcentreerd werken, dus even je mond houden. 'Ja mamma' is het antwoord.

Waarom wilde je met deze groep jongeren deze voorstelling maken?

'Ik ben voor dit project gevraagd en dat betekende dat driekwart van het geld er al was. Een enorme luxe en het heeft zeker meegespeeld in mijn keuze. Maar het is niet doorslaggevend geweest. Als ik niet de vrijheid had gehad om zelf de jongeren uit te kiezen of op een andere wijze gehinderd zou zijn in mijn artistieke keuzes, dan had ik het niet kunnen doen. In dit project komen twee dingen samen die ik al heel graag eens wilde doen: jongeren en boksen.'

Hoe ben je aan deze doelgroep gekomen?

'Ik heb deze voorstelling gemaakt met jongeren die door FourstaR (een reïntegratieburau) zijn geworven. Het zijn kwetsbare jongeren die proberen hun leven weer op de rails te hijgen. De jongeren zijn via oproepen in de krant en op AT5 op de workshops afgekomen. FourstaR heeft dus de werving gedaan en heeft ze begeleiding aangeboden tijdens het project. Ik heb twee weken lang workshops gehouden. Zo heb ik een selectie gemaakt.'

Hoe heb je de jongeren geselecteerd die nu in de voorstelling spelen?

'Tijdens die workshops moet ik een bepaalde chemie voelen bij een speler. Dat kan heel vaag zijn, soms is het alleen maar het gevoel dat ik met iemand wil werken. Of dat ik voel dat we samen iets hebben uit te zoeken. Ik improviseer in het begin veel met ze. In die fase kom ik al op allerlei andere ideeën. Ik wilde altijd al een voorstelling maken over boksen. Maar dat is al snel kickboksen geworden met aanverwante thema's als rivaliteit, show, glamour en de liefde. Ik interview de jongeren, ik ga bij ze thuis langs, vraag ze naar foto's en persoonlijke eigendommen die belangrijk voor ze zijn. Ook de improvisatieopdrachten zijn persoonlijk. Bij de audities vraag ik altijd of spelers iets mee willen nemen wat hen dierbaar is. Dat mag muziek zijn, een voorwerp, een lievelingsrecept. Ik verbind me met ze. Ik ben met ze begaan. Dat is ook mijn valkuil. Ze voelen dat ik hen nodig heb. En daar maken ze soms misbruik van. Ik ben vaak veel te aardig. De acteurs zijn inwisselbaar, maar de jongeren niet. Ik heb het heel lastig gevonden om tijdens het maken van de voorstelling alsnog spelers uit het project te zetten. Ik had pijn in mijn hart.'

Waarom lukte het niet met die jongeren?

'Tijdens de audities kijk ik naar talent, of ze goeie zin hebben om te spelen en of ze lekker in hun vel zitten. Vergis je niet, er zitten jongeren bij die alleen maar de lagere school als opleiding hebben. De een heeft financiële problemen, de ander psychische. Ik heb soms bewust het risico genomen om toch met iemand te gaan werken, terwijl ik wist dat het heel moeizaam zou gaan worden. Ik zoek namelijk steeds die grens op. Dat vind ik spannend. Maar als iemand steeds te laat komt, moeilijk te benaderen is of in het weekend op de intensive care terechtkomt door een overdosis lsd, dan is de maat voor mij natuurlijk ook eens vol. Ik moet wel met iemand kunnen werken en op iemand kunnen vertrouwen, juist omdat ik al zoveel risico's neem.'

Hoe zou je de motivatie van de jongeren omschrijven die nu in de uiteindelijke voorstelling spelen?

'Ze willen allemaal graag iets met theater doen. Eindelijk die bühne op. De aandacht en het applaus van het publiek, daar smullen ze van. Sommigen willen hier het liefste mee doorgaan. Met een paar jongeren ga ik een volgende voorstelling maken. En met anderen probeer ik een vervolgtraject op te zetten bij Kunstenaars&Co via het traject Van Talent naar Beroep.'

Het reïntegratiebureau zal een andere doelstelling hebben gehad dan jij als theatermaakster. In hoeverre kon je die verschillende doelstellingen met elkaar laten versmelten?

'Dat kon dus eigenlijk niet. FourstaR is streng: bij drie keer te laat komen, ligt iemand uit het project. En mijn enige doel is een mooie, professionele voorstelling maken. En daar heb ik alles voor over. En daarom wil ik blijven werken met iemand die meerdere malen te laat komt omdat ik vind dat hij in de voorstelling hoort. Daarover verschilden FourstaR en ik van mening. Toch heeft het artistieke proces altijd voorop gestaan, er is geen sprake geweest van dramatherapie. Maar het samen toewerken naar een voorstelling kan heel louterend werken. Door vanuit het niets iets moois te maken en door vooral vol te houden. Dat is niet makkelijk. Zeker niet op de manier waarop ik werk. Ik denk dat dat de grootste les is die ik ze mee kan geven. Dat geeft ze zelfvertrouwen, maar het maakt ze vooral weerbaarder. Ze zitten lekkerder in hun vel en durven veel meer te laten zien wie ze zijn. Daar kan ik zo van genieten. Alsof het je eigen kinderen zijn. Met deze jongeren heb ik wel gemerkt dat ik een stuk 'agogische bagage' mis. Ik heb vaak gedacht: hoe moet ik dit aanpakken? Het grootste probleem was te laat komen. Welke maatregel moest ik nemen? Ze voelden haarfijn aan dat ik hen nodig had voor de voorstelling. Wat ik overigens erg ontluisterend vond, is dat, als ik dan terugkijk naar de tijd waarin ikzelf jong was, jongeren van nu alleen nog maar bezig zijn met hun mobieltje, hun iPod en geld verdienen. Helemaal niet sociaal. Een meisje uit de groep liep al weken met en kaakontsteking. Toen ze eindelijk geopereerd kon worden vroeg een van de jongens: 'Wat heeft ze eigenlijk?' Daar schrok ik van. Ik dacht: als dit de toekomst is ? Maar ik vind het ook heerlijk om met jongeren te werken. Ik hou van hun grote mond en hun snelle fysiek, korte lontjes met veel energie en scherpe kleuren. 
Eerlijk gezegd ben ik niet altijd zo'n fan van de hiphop, hoewel het de cultuur is van de jongeren. Ik heb geprobeerd daar juist een beetje tegenin te gaan door contrasten op te zoeken. Door naast hun muziek ook Duitse schlagers en klassieke muziek toe te voegen. Ik denk wel dat het jongerentheater van nu een realistischer beeld geeft van wat er leeft in de samenleving dan het meeste volwassenentoneel. De thema's zijn vaak rauwer; het gaat over geweld, over angst en vervreemding. En ik hou heel erg van hun energie en gekke dansvormen. Daarom snap ik niet dat er binnen de huidige theateropleidingen zo weinig aandacht aan de straatcultuur wordt besteed. Dat vind ik jammer en ik denk ook dat de scholen dat niet meer lang volhouden. Je kan er niet meer omheen. Het wordt tijd dat ze de straat binnen gaan halen. Volgens mij ontstaat er dan juist een hele interessante tegencultuur.
De mooiste jongerenvoorstellingen die ik heb gezien, zijn voorstellingen van Alain Platel en Arne Sierens, twee Vlaamse theatermakers (respectievelijk Bernadetje en Moeder en kind). Het is een soort van verhevigde vorm van realisme. Dat zit zowel in de tekst als in de vorm. Ik hou van een gechoreografeerde chaos op het toneel met lekker veel spelers. En van contrasten: jong en oud, danseres en acteur, amateurs en acteurs. Sowieso voel ik me veel meer verwant met Belgische theatermakers dan met Nederlandse. Ze zijn volkser en rauwer, werken veel meer vanuit de onderbuik.'

Is dat wat je aantrekt in deze jongeren?

'Ik houd van hun kwetsbaarheid. Mijn voorstellingen gaan altijd over overleven. Over mensen die het licht zoeken. Ik zie meer schoonheid en tragiek in het onvolmaakte, in mensen die aan de rand staan. En dat zijn niet alleen hoeren en criminelen, of straatjongeren. Misschien ben ik nu wel een beetje klaar om met specifieke groepen te werken. Kun je jongeren een specifIeke groep noemen ? Maar ik werk liever met jongeren van de straat dan met jongeren van het Barleus Gymnasium. Ik mis dan een soort rauwheid, noem het een soort van overlevingsdrift of woede. Het heeft ook met de taal te maken. Mensen van de straat hebben vaak een eigen taal, die soms tot de verbeelding spreekt en zelfs op poëzie lijkt. Soms kunnen ze ook met één zin de kern raken terwijl keurig opgevoede mensen vaak heel omslachtig praten. Ik hou van een direct taalgebruik. Het leuke van jongeren in het algemeen is dat ik ze heel flexibel vind en dat ze vaak veel betere ideeën hebben dan ik: ze denken echt met je mee.'

Bladzijde 87 in het script: Twee jongens beginnen met spelen. Het is een scene met veel tekst. Saskia: 'Je mag jezelf de tijd geven. Rust. Speel samen. Hiervoor is veel herrie geweest, dus dit mag rustig gespeeld worden.' De scene start weer. Halverwege onderbreekt Saskia het spel: Jullie spelen voor jezelf. Nu wil ik zien dat jullie samen spelen.' Saskia doet een stukje van de tekst voor: Ze kijkt naar haar tegenspeler: In haar dictie hoor je de actrice die ze is. Speler Gasper heeft duidelijk een ander beeld bij de scene dan Saskia. Hij protesteert. Acteur Frank vanaf de zijkant: 'Casper, Saskia heeft hiervoor gestudeerd, dus luister maar gewoon naar haar.'

Je hebt met een pittige doelgroep een voorstelling gemaakt. Het artistieke en ondersteunende team bestaat uit vrouwen, terwijl de meeste jongeren mannen zijn. Is Frank Meijers naast zijn rol als acteur ook belangrijk geweest als man in het maakproces van de voorstelling?


'Ja, absoluut. In dit soort maakprocessen kun je als acteur niet alleen aan de zijlijn meekijken en je kunstje doen. Naast het meedenken had hij ook de rol van grote broer. Hij zat als het ware tussen mij en de jongeren in. Die rol is voor een acteur soms best lastig. Iedere acteur is nu eenmaal kwetsbaar en op het toneel staan met deze jongeren maakt je nog kwetsbaarder. Dat betekent dat je een hoop ijdelheid moet opgeven. Maar daar word je volgens mij alleen maar een beter acteur van.'

Waarom laat je amateurspelers en acteurs samen in een voorstelling spelen ? Waarom niet alleen amateurs of alleen professionals?

'De amateurspeler trekt zich op aan de acteur. En daardoor til je de voorstelling naar een hoger niveau. Als ik deze voorstelling alleen met amateurspelers zou maken, dan wordt het geheel platter. De combinatie van amateur- en professionele spelers geeft een extra laag in de voorstelling. Professionele acteurs spelen altijd een rol, amateurspelers spelen meer zichzelf en kunnen daardoor meer zijn op het toneel. Als het goed is, komen ze tijdens het repetitieproces steeds meer bij elkaar. De amateurspelers gaan meer en de acteurs gaan minder en dus waarachtiger spelen. Daardoor blijft in het ongewisse wat waar is en wat niet waar is. Dat maakt een voorstelling spannender en kwetsbaarder.'

Maken niet juist de kwetsbare mensen met wie je werkt de voorstelling interessant? Denk je niet dat het publiek meer op de doelgroep afkomt dan op de inhoud van de voorstelling zelf?

'Het gevaar van aapjes kijken ligt bij dit soort voorstellingen altijd op de loer. En het gebeurt ook. Bij de voorstelling Lieve Joke waren alle voorstellingen vanaf het begin uitverkocht, wat vrij uniek is voor een onbekende maker. Het feit dat er zoveel mensen op afkwamen heeft te maken met de enorme hausse aan publiciteit. Dat is de kracht van de media in deze tijd. En ja, criminelen zijn natuurlijk spannend. Dus ik weet zeker dat een groot deel van het publiek daarop afkwam. Maar het heeft ook met deze tijd te maken. Kijk naar alle reality-programma's op tv. Mensen hebben behoefte aan echte verhalen. Kennelijk putten ze daar troost uit en voelen ze zich op die manier meer verbonden met de mensen om hen heen in deze tijd van individualisering en desintegratie. Om maar eens een cliché te noemen.'

Tijdens mijn eerste repetitiebezoek ontstond er een hoogoplopend conflict tussen jou en Frank, de professionele acteur. Jullie verlieten beiden de repetitieruimte, terwijl de rest van de spelers in afwachting bleef of Frank terug zou keren in de voorstelling. Veel spelers waren bang dat er zonder Frank niet gespeeld kon worden. Eén speler zei letterlijk: 'Nu kunnen we niets meer, want Frank is er niet meer.' Ben je niet bang dat een amateurspeler zich te veel vastklampt aan een professionele speler en daarmee ook een deel van zijn verantwoordelijk verliest in het maakproces?

'Ik ben daar niet bang voor. In dit geval snap ik de reactie van de jongeren goed. De rol van Frank is ook heel bepalend in de voorstelling. Hij is de boksmanager, vader en de presentator van de show. Hij is de rode draad. Het is dan ook onmogelijk de voorstelling te spelen zonder zijn rol.'

Parels voor de Zwijnen wil voorstellingen spelen op de plekken die bij de mensen horen waarover de voorstelling gaat. Hoe haal je kwetsbare jongeren naar Leve ik!?

'De illusie dat jongeren zélf naar de voorstelling komen, daar geloof ik niet meer in. Als je ze wilt bereiken dan zul je het op de een of andere manier verplicht moeten stellen. En zo is de zaal al snel weer gevuld met het elitaire theaterpubliek. Ik weet niet hoe ik deze voorstelling naar hen toe moet brengen. Misschien wanneer we de voorstelling als verplicht nummer op ROC's (Regionaal Opleidings Centrum) spelen? Wat ik overigens helemaal niet erg vind. Ik kom graag naar ze toe omdat ik ze wel wil bereiken.'

Je timmert als theatermaakster nog maar kort aan de weg. Welke ontwikkeling heb je als maker sinds het oprichten van Parels voor de Zwijnen doorgemaakt?

'Ik diep steeds meer uit: wat zoek ik en wat wil ik? Dat vraag ik mezelf bij iedere voorstelling af. Ik richtte me in het begin vooral op de inhoud van een voorstelling, nu ben ik veel meer gericht op de vorm van mijn voorstellingen. Mijn eerste voorstelling was een tekstvoorstelling met een heldere dramaturgische lijn: begin-midden-eind. Maar nu werk ik veel meer fragmentarisch en onderzoek ik meer hoe de vorm van de voorstelling bij de inhoud kan passen. Alhoewel tekst echt mijn sterke kant was op de toneelschool, zoek ik nu steeds meer naar de fysieke kracht van theater. Ik zoek naar een combinatie van actie, beweging en muziek. En dan ben ik zo blij dat ik de opening van Leve ik! kan verzinnen. In het begin komen de jongeren op, gaan op een rij staan en trekken op klassieke muziek hun mooie kleren voor de show aan. Dat beeld vertelt iets wat veel krachtiger is dan tekst. Een tekstje verzinnen, een conflictje bedenken, ik schud het allemaal zo uit mijn mouw. Maar het denken in vorm en beweging, dat gat moet ik nog zien te dichten. Ik kan dat niet alleen, daarom werk ik in deze voorstelling ook met een choreograaf. Soms denk ik: moet ik niet bij iemand in de leer gaan? Bij Pina Bausch of Alain Platel. Ik zou uiteindelijk graag uitkomen bij een combinatie van het vroegere Werkteater - op basis van improvisatie zo echt mogelijk spelen - maar dan in een meer verhevigde vorm. Volkse melodrama's dus.'


Uit: Zo doen ze dat!, pp.112 - 121
Idee en samenstelling: Robert Baars
Uitgeverij International Theatre & Film Books
Amsterdam, juni 2007